Tickets

'Lord, I’m fine’ - Radiogollem

gepubliceerd op 26 september 2019

Zo’n vier jaar geleden verscheen de verhalenbundel ‘Ik keek naar boven en had geen idee’ van de in de Achterhoek geboren schrijver Gerjon Gijsbers, met daarin een prachtig kort verhaal over ons. Gerjon droeg al eens voor op Mañana Mañana. Het is de hoogste tijd om dit verhaal eens opnieuw de grijze massa in te slingeren.

We schuilen onder het bladerdak van een boom als de regen met bakken uit de hemel valt. Vanuit een tipi waaien de warme Alela Diane-achtige klanken van Joëlle Smidt ons tegemoet, terwijl we wachten tot we onze auto’s uit kunnen laden. Boven het bos aan de rand van het festivalterrein buigt een regenboog zich over de camping, als was het een koepel ter bescherming. Ik moet denken aan een liedje van de onvolprezen Elly & Rikkert: ‘En dan opeens is er die regenboog… Dan zie ik zeven kleuren schijnen hoog…’ Je kunt van die Elly & Rikkert zeggen wat je wilt, denk ik, kijkend naar het gebroken en weerkaatste zonlicht, maar tijdens hun hoogtijdagen hebben ze toch aardige teksten geschreven, waarvan vele een middelvinger naar de maatschappij.

We schenken eerst een grote fles Grolsch uit en daarna begeef ik me naar de camping waar ik aan de slag ga met mijn tent. Na er bijna een half uur zelfstandig mee geworsteld te hebben, zie ik een paar meter verder een bekend gezicht. Als dat niet de getalenteerde toetsenteef van Donnerwetter is! De band die dit weekend op Mañana Mañana zijn eerste single Dance lanceert, een geweldig opzwepend nummer waardoor zelfs een kreupele verandert in een ervaren cancan-danseres. De B-kant, In the city, had wat mij betreft evengoed de A-kant kunnen zijn. Deze single met dus een dubbele A-kant is in gelimiteerde oplage verschenen op vinyl en sinds deze week voor weinig geld verkrijgbaar bij onder andere Kroese en Waaghals, in zowel Arnhem als Nijmegen. Enfin, mijn tent werd op- en naar een hoger niveau getild en met behulp van vele handen stond deze niet veel later als een huis.

We lopen door de modder terug naar het feestgedruis. Ter voorbereiding op mijn voordracht met dood/verderf/vingerverf drink ik nog een bekertje bier. Het is donker geworden. Talloze lampjes en een paar verlichte vlinders worden weerspiegeld door het water, de vijver waar ik vanavond iemand met een werphengel een vis zag vangen. Ik lees mijn verhalen voor onder begeleiding van Gerben en Huibert, gekleed in witte doktersjassen. Daarna drink ik een biertje, dan nog eens twee bier om er vervolgens drie achteraan te gieten. Zo blijft een mens bezig. Ik ontmoet nieuwe bekenden en zie oude gezichten, mensen uit een ver verleden, die bewijzen dat van vroeger louter het goede beklijft. Ik zak tot mijn romp weg in de drek en hoewel ik altijd overal weg wil, zou ik op dit moment nergens anders willen zijn.

We treffen het met de toiletten, die goed verzorgd zijn, in tegenstelling tot de middeleeuwse latrines waar je op de meeste festivals gebruik van moet maken. Terwijl ik sta te pissen, hoor ik – in het hokje naast het mijne – een vreemde vragen: ‘Zit je te schijten?’ Een ander antwoordt: ‘Wat denk jij dan? Dat ik líg te schijten?’ waarna hij een voorspelbaar lied aanheft: ‘Pijnboompit, pijnboompit, liggend kun je schijten, maar ‘t is beter als je zit.’ Vanuit weer een ander hokje klinkt vervolgens: ‘Blokfluitles, blokfluitles, Debbie amputeert d’r eigen borsten met een mes.’ Ik heb voldoende bier achter mijn huig geslingerd om een dronken duit in het zakje te doen en zing: ‘Hink-stapsprong, hink-stapsprong, twaalf Surinamers met een ingeklapte long.’ Klaterlachend brengt men de andere coupletten ten gehore en zo wordt het zelfs in de stank gezellig.

We besluiten rond half drie te gaan slapen. Ik dacht altijd dat kamperen iets met een tent van doen had, maar het schijnt dat je veel meer voorbereidingen dient te treffen. Zo kan ik het eenieder aanraden een luchtbed of een matje mee te brengen. Ik lag onder een dekbed, op een slaapzak met een defecte rits, mijn T-shirt als kussen. Daarna lag ik op het dekbed en onder de slaapzak. Waar was mijn kussen gebleven? Uiteindelijk lag ik op de grond, onder het dekbed en onder de slaapzak. Ik begon het koud te krijgen, tastte in het duister door de tent en trok mijn kussen aan. In het holst van de nacht schreeuwde iemand om drank, maar toen het eenmaal tot hem doordrong dat alles op was, zocht de jager zijn bedstee op en viel, getuige het gezaag, binnen een minuut in slaap. Ik had honger gekregen en moest alweer zeiken, maar voelde er weinig voor om me buiten de tent te begeven. Tegen de ochtend, als het al een paar uur licht is, val ik eindelijk in slaap.

Ik word wakker met een stijve nek, oorsuizen en een hevige aanval van oogmigraine. De ochtendstond heeft brandend maagzuur in de bek in plaats van goud in de mond. Je vindt net zo min goud in de mond van de ochtendstond als een pot goud aan het eind van de regenboog. Ik ben gebroken, maar gebroken als het zonlicht. Ik voel me vies, maar tegelijkertijd kleurrijker en meer levend dan ooit. Ik trek mijn nieuwe schoenen aan die er behoorlijk afgetrapt uitzien en zwalk wat rond, op zoek naar voer. Ik passeer het Schillerkamp en krijg een bakje courgettesoep voorgeschoteld, met een homp brood en een plakje Jaap en laat het me smaken, terwijl Rocco het ene na het andere singletje onder de naald van een pick-up slingert. Ik heb zelden beter ontbeten.

Nadat ik mijn tent opgebroken heb, loop ik naar de auto, geparkeerd in een weiland. Twee vrouwen treden mij tegemoet. Zegt de ene vrouw tegen de andere: ‘Hij belde mij gisteravond, zo enthousiast, dat het hier zo leuk is en dat we ook maar moesten komen. Hij had toen net een theaterstuk gezien, iets van dood, verderf en vingerverf of zoiets, wat erg mooi was.’ Heel juist, denk ik, verspreid het woord, bij voorkeur als een lopend vuurtje. Er is teveel dood en verderf en te weinig vingerverf. Alles moet kapot. Overal vallen de bommen en vliegen de kogels. De wereld staat in brand en de vluchthavens worden steeds spaarzamer. Modder of geen modder, Mañana Mañana is de pot goud aan het eind van de regenboog. Een middelvinger naar de maatschappij. Een plek waar iedereen kan aanmeren en zijn anker uit mag gooien. Mañana Mañana biedt hoop. Als er tegen volgend jaar nog een morgen bestaat, blijf ik het hele weekend.

🎫 Je Mañana kaarten bestel je vanaf 7 december hier.
📙 Het boek van Gerjon bestel je hier.